MarienoverwandelreisValpelline2016.Bivakkerentussendesteenbokken

Mariengingin2016voorheteerstmeemetRoyReizennaarValpelline,huttentocht.IndezeblogvertelthijmeeroverdetochtinhetprachtigeValpelline.Ookkomendjaarstaanerweerdiversezomerreizengepland.Gajeookmee?

Bivakkeren tussen de steenbokken

Heb je zin in een trektocht in de Alpen?
Op 15 april 2016 kreeg ik een mailtje van mijn broer. “Marien, mijn bootcamptrainer volgt de
opleiding tot International Mountain Leader en wil een trektocht in de Italiaanse Alpen gaan doen.
Heb je zin om mee te gaan?” Tja, daar hoefde ik niet lang over na te denken.

Dus na de nodige voorbereidingen, aankopen en training reed ik op zaterdag 18 juni om 3 uur ’s nachts
richting het Italiaanse bergdorpje Valpelline. Samen met mijn broers Klaas Jan en Hans en vrienden Roy en
Koen. Het gebied waar we zouden gaan trekken is een relatief onbekende en ruige bergkam ten noorden van Aosta.
Midden tussen de bekende 4‐duizenders zoals de Mont Blanc, Grand
Paradiso en Matterhorn. Bemande hutten zijn er weinig, er komen dan ook zeker in juni weinig toeristen. Wel zijn er veel onbemande bivaks, kleine hutten voor zo’n 15 personen met bedden, dekens en een primitief keukentje. De
trektocht zou vijf dagen gaan duren, waarbij we ons eigen eten mee zouden moeten nemen. Water
verwachtten we onderweg genoeg tegen te komen: beekjes, meren en sneeuwvelden.

Eerste dag: Mamma Mia
Na ons eerste nachtje op de camping van Valpelline werden we door een kennis van de campingbaas
naar ons startpunt gebracht: het bergdorp Blavy op een hoogte van ongeveer 1470 meter. De
shortcut die de “kennis” van een “vriend” had doorgekregen bleek een jaren ongebruikt karrespoor
te zijn. Prachtig voor een Land Rover Defender, maar niet voor de spiksplinternieuwe Peugeot 808 van onze chauffeur. “Mamma Mia…” hoorde ik hem bij elke haarspeldbocht naast me
fluisteren. De vriendschap tussen hem en die “ vriend” zal ongetwijfeld bekoeld zijn. Welkom in Italië!
De eerste paar honderd hoogtemeters gingen door het bos. Nog niet al te steil, wel zo prettig om te
wennen aan onze zware rugtassen. Omdat het vroeg in het seizoen was, juni, stonden er veel
bloemen in bloei. Als bergwandelgids in opleiding wist Roy ons de namen te noemen van al dat
moois wat we onderweg zagen, maar ook welke je zou kunnen eten in noodgevallen. Gelukkig
hebben we geen gebruik hoeven te maken van die opgedane kennis.
Eenmaal boven de boomgrens ontvouwde zich voor het eerst het Alpenpanorama wat de komende
dagen ons uitzicht zou zijn. Ten zuiden van ons, aan de overkant van het dal, de Grand
Paradiso. Met 4061 meter Italië’s hoogste berg. Samen met de alpenweiden, bergbeekjes en klinkende koeienbellen
zorgde dit al gauw voor het “Heidi‐gevoel” wat bij deze omgeving hoort. Dat ook in het (buur)land van Heidi niet
alles altijd vredig is, bleek toen halverwege de middag een helicopter van de reddingsdienst recht op ons af kwam
vliegen en in de buurt landde. Ze bleken op zoek te zijn naar een verdwaalde hardloper die al een paar dagen zoek was. Omschrijving van het uiterlijk: “Jezus‐achtige figuur”. Nee, die hadden we de hele dag nog niet
gezien. Kort na dit oponthoud kwam al gauw de col in zicht waarachter ons eerste bivak zich op 2730 meter bevond. Het bivak bleek een houten hut te zijn, formaat fors tuinhuis, met binnenin twee rijen bedden
met matrassen, dekens en kussens. Het keukentje bestond uit een gasfornuis, pannen, bestek, bekers en
koffiepercurator (…!). De rest van de middag vermaakten we ons met thee en koffie drinken en het bewonderen van de schitterende bergwereld om ons heen. Na het avondeten moest de naastgelegen top natuurlijk nog even beklommen worden, waardoor we op een hoogte van 2856 meter boven zeeniveau kwamen.

Tweede dag: maagdelijke sneeuw en magische nachten
De volgende dag begon met een strakblauwe lucht. De wolken van de vorige dag waren allemaal
verdwenen, de rest van de week hebben we met uitzondering van de derde dag schitterend
onbewolkt weer gehad.
Vanaf het bivak moesten we eerst ruim 600 meter dalen. We werden direct geconfronteerd met de
laatste sneeuwvelden van het winterseizoen. Afgezien van de voetsporen van twee andere
wandelaars leken we die dag de enige mensen in het gebied te zijn. In eerste instantie best onwennig
om over maagdelijke sneeuw af te dalen, maar zeker ook een geweldig gave nieuwe ervaring.
Vanaf het laagste punt was het eerst weer 400 meter stijgen naar een smalle col, van waar hetzelfde aantal hoogtemeters gedaald moest worden richting een verlaten boerderijtje. Dit boerderijtje, met een weide vol
bloemen en (onzichtbare) marmotten, bleek de perfecte plek te zijn voor een rustpauze. Vanaf de rustplek begon de
laatste pittige klim van die dag, een smal pad dat ons tot diep achterin een langerekt dal bracht. We konden ons tweede bivak al in de verte zien, ver voor en boven ons. Toen ik op een gegeven moment even stil stond uit te puffen, zag ik dat er àchter ons, ver weg, een enorme witte berg tevoorschijn was gekomen vanachter de voorliggende bergketens. Het bleek de Mont Blanc te zijn. Ik had de hoogste en beroemdste berg van Europa nog nooit van zo dichtbij gezien, en was verrast door de hoogte. Met kop en schouders kwam hij boven de omgeving
uit, waardoor het leek of we er vlak bij waren. Het tweede bivak bleek een
kopie te zijn van ons eerste bivak. Weer een houten hutje met stapelbedden en een klein keukentje.
Stromend water buiten in de vorm van een halve holle boomstam met kraantje.
Rondom de hut was er een alpenweide helemaal wit door de bloeiende margrieten. Voor de hut was een zonnige veranda vanwaar we een schitterend uitzicht op de Mont Blanc hadden. Magnifiek! ’s Nachts sliep ik, net als de eerste nacht, slecht. Misschien dat het kwam door de hoogte, of de verkoudheid die ik een paar dagen daarvoor had opgelopen, maar het gevolg was dat ik vaak even naar buiten ging. Hoe vervelend dat tekort aan nachtrust ook was, ik heb me verbaasd over de schoonheid van de omgeving in het licht van de volle maan. Totale stilte, een loepscherpe sterrenhemel en de witte Mont Blanc “badend” in het maanlicht. Terwijl ik stond te kijken, zag ik op
een paar honderd meter een groep steenbokken staan. Een surrealistisch moment in een magische
omgeving.

Derde dag: verstand op nul, blik op oneindig
De derde dag beloofde de zwaarste dag te worden, zo had Roy ons voorspeld. De weersverwachting
voor die dag was matig: bewolking en mogelijk wat regen. Bovendien zouden we die dag de meeste
hoogtemeters moeten overwinnen, met aan het eind van de dag een zware lange klim over een helling waar mogelijk sneeuw lag. Na ons vertrek vanaf de hut kwamen we al gauw via een dalend pad langs een verlaten kapelletje (“wat doet die daar op zo’n verlaten plek”, denk je dan). Even verderop van steen naar steen over
een brede bergbeek, waarna we via een steile puinhelling een ander, eveneens totaal verlaten dal ingingen. De col aan het einde van dat dal bood ons een laatste blik op de Mont Blanc achter ons. En bood ons aan de andere zijde in de vorm van een grote sneeuwrichel een leuke mogelijkheid om het klimtouw te testen dat Roy
bij zich had. De makkelijkste manier was om er omheen te lopen, maar de leukste manier was om
er al abseilend vanaf te gaan. Een erg leuk extraatje! Vanaf de col wachtte ons een lange afdaling van ruim 700 meter. Tegenover ons hadden we inmiddels de helling van 800 hoogtemeters in beeld waar we tegenop moesten om bij het derde bivak te komen. Inderdaad, vol met sneeuw en nog net niet in de wolken, dus dat beloofde een
uitdaging te worden. Aan het begin van die slotklim, op het laagste punt van de dag, had ik eveneens
een mentaal “dieptepuntje”. Vierslapeloze nachten, zware verkoudheid en zware rugtas begonnen hun tol te eisen.
Maar na een pauze en een blik op de routekaart konden we verder: Abseilen In de mist op de col
verstand op nul, blik op oneindig en pas bovenaan bij het topkruis weer nadenken. Het werden een
paar onvergetelijke uren. Roy vooraan om de route in de sneeuw uit te zetten, wij er in elkaars
voetstappen achteraan, tempo erin om eventuele extra bewolking voor te zijn. Ik heb het als in een
roes gelopen. Totdat we ineens nog vrij onverwachts snel bovenaan op de col bij het kruis stonden.
De bewolking was zo dichtbij dat onze voeten bij wijze van spreken vrij zicht hadden, maar ons hoofd
zich in de wolken bevond. Dwars door die dichte mist zagen we een eindje voor ons, honderd meter
lager het bivak liggen, midden in witte besneeuwde bergwereld.
Dit bivak had geen eigen stromend water, maar wel een eind verderop een meertje. Koen was zo
goed om de voor dit doel aanwezige jerrycan (minimaal 50 liter denk ik…) te gaan vullen. Je hebt
kerels en kérels. Met het voorraadje wijn dat we in één van de kasten vonden hebben we onze
onvergetelijke derde dag gevierd.
Die nacht heb ik in een soort comatueuze toestand geslapen.

Vierde dag: Matterhorn in beeld
De vierde dag was een dag met relatief weinig hoogtemeters maar wel lange afstanden. En met veel
steenbokken en gemzen. Halverwege kwamen we langs een grote bemande berghut welke vanwege het vroege seizoen nog gesloten was. Wel werd hij op die dag door een helicopter bevoorraad wat spectaculaire
beelden opleverde tijdens onze pauze. Een eindje verder, bovenop een kleine col, hadden we ineens vrij zicht op de Matterhorn, ook al zo’n beroemde en markante Alpentop. Ik heb me altijd al geïnteresseerd in de geschiedenis van de bergsport en heb een gezonde “obsessie”
(vind ik…) voor beroemde bergtoppen. Meestal kan ik feilloos een berg aanwijzen, inclusief naam, hoogte en bijzonderheden. Om dan zo’n bekende top van dichtbij te zien, is wel heel er gaaf! Tja, iedereen heeft
wel zo zijn eigenaardigheid, toch? Het vierde bivak bleek een stenen hut te zijn waar we evenals alle andere bivaks de enige bezoekers waren. De hut lag naast een bergmeer (heerlijk zo’n bad na drie dagen) en had binnen een
houtkachel. Ook hier werd de rest van de dag gevuld met thee, koffie en avondeten. Het licht van de
ondergaande zon op de omliggende bergwereld maakte het plaatje compleet. En natuurlijk het
gezellige vuurtje binnen in de hut met een grote zak cashewnoten en chocoladerepen.

Vijfde dag: weer terug naar de bewoonde wereld
De vijfde dag van onze trektocht was de laatste dag. Via de
hoogste col van de week (ruim 2800 meter) kwamen we via een lange afdaling weer terug in de bewoonde wereld. Een groot deel al zittend/sleeënd over een lange flauwe sneeuwhelling. Handig zo’n grote rugtas. Het laatste deel via een alpenboerderij, koeienpaadjes en grote stuwdam.
Wat is alles na vijf van zulke dagen weer fijn en lekker. Het eerste colaatje. Het eerste biertje. Een
warme douche. Een gewone toilet. Een warme maaltijd in het plaatstelijke restaurantje.
Na een laatste overnachting op de camping in Valpelline zijn we via de Sint Bernhardpas weer teruggereden naar
Nederland. Met een hoofd vol plaatjes en een hart vol
geweldige herinneringen.

Resumé
Volgens de hoogtemeter van Roy hebben we in in vijf dagen 4500 hoogtemeters geklommen en
gedaald. Bijna net zoveel als de hoogte van de Mont Blanc. Toch wel de moeite waard om te
noemen, lijkt mij.
Wat mij het meeste is bijgebleven? Lastig te benoemen, ik denk het totaal aan indrukken. Een
majestueuze bergwereld. Vijf dagen trekken zonder mensen tegen te komen (een enkeling
daargelaten). De uitdaging en spanning van het onbekende terrein, voor een deel onder de sneeuw
vanwege het vroege seizoen. De stilte van de avonden, zittend op een bankje voor de hut, kijkend
naar de oranje zonnestralen op de bergen in de verte. De surrealistische nachten met een volle maan
en een totale stilte om je heen. Je moet het zelf een keer doen om te ervaren.

Marien

Andere wandelreizen https://reizen.royvanlangen.nl

Foto impressie